Van klein tot nu…

Over hoe de kleine Iris tot zingen kwam...

“Hoe ben je eigenlijk zangeres geworden?”, vragen mensen me vaak. “Ik ben bepaald niet zingend geboren”, begin ik dan.
Natuurlijk zong ik op de peuterspeelzaal keurig mee toen juffrouw Braams ons een keer neerzette op het bankje en plichtmatig kinderliedjes zong zittend achter de piano. Maar ik kan me vooral haar imposante derriere en het lieve jongetje naast me herinneren dat die dag plotseling mijn hand pakte en naar me lachte. Echter geen vocale openbaring.


Het enige moment waarop misschien wel enige muzikaliteit ontdekt had kunnen worden vond plaats op de kleuterschool waar we op een dag ieder een ritme-instrumentje in de handen gedrukt kregen en mochten meespelen op de muziek. Willekeurig tikkend en schuddend gingen de andere kleuters te werk. Ik had natuurlijk nog geen idee wat ‘het ritme’ of ‘de telling’ was maar ik hoorde het wel en kon het dan ook niet begrijpen dat de rest zo rommelig ageerde. “Jullie doen het fout, zo moet het!”, deed ik de kindjes in mijn buurt wanhopig voor maar mijn stemmetje ging hopeloos ver-loren in het kabaal.

Een paar jaar later kwam het weesmeisje Annie op mijn pad. Ik was zeven.
Laat op blijven en in het donker naar de bioscoop mogen maakte indruk. Maar vooral het verhaal van het dappere meisje, de kleding, het dansen en de liedjes lieten de magie van de avond nog maanden door mijn bloed stromen. Toen mijn vriendinnetje de plaat kreeg maakte ze voor mij een bandje. Voor mijn broer brak daarmee een ondraaglijke tijd aan waarbij hij elke middag zuchtend zijn deur sloot en woedend mijn kamertje binnen kwam als hij de liedjes echt niet meer kon aanho-ren. Ook op school was hij niet veilig voor mijn obsessie. We hadden een wekelijkse viering op vrij-dagmiddag en aangezien er veel liedjes op de plaat stonden kon ik er maanden dansend en play-backend mee uit de voeten. In een hoekje zag ik hem dan schaamtevol in zijn kraag kruipen. Toch besefte hij niet dat hij in feite nog geluk had. Het drama was vele malen groter geweest als er toen al karaoke had bestaan want langzaam was playbacken en dansen voor de spiegel niet meer ge-noeg voor mij. Ik wilde zingen! Fonetisch schreef ik de Engelse tekst uit van ‘toemoroow’ waar juf Magda vervolgens om onbegrijpelijke reden vreselijk om moest lachen maar thuis nam ik mezelf op met de bandrecorder.
“Je zingt te hard uit je keel”, gaf mijn moeder als commentaar. “Is het niet mooi?”, vroeg ik ver-baasd. “Niet zo”, gaf mama eerlijk toe, “je moet wat zachter zingen”. Ik begreep het niet want Annie zong ook uit volle borst maar ik probeerde het toch met minder volume. “En zo?”, vroeg ik hoopvol. “Wel al wat beter”, knikte ze bemoedigend maar ik kende haar goed genoeg om te zien dat ze dat niet echt meende.

Ook mijn klasgenootjes keken wat zuur als ik me liet horen en hadden veel liever dat Hanneke zong. Op de middelbare school keek ik op tegen alle meisjes die zo mooi konden zingen maar zelf werd ik evenmin gespaard. “Zing maar niet mee want je zingt vals”, zei Bart zich naar me omdraai-end in het schoolkoor. Het is niet zo dat ik daardoor extra gemotiveerd werd om het tegendeel te bewijzen maar gek genoeg had ik zelf wel het idee dat ik het ergens toch wel in me had.

En toen koos ik ‘Muziek’ als eindexamenvak en verwachtte men van ons een optreden dat beoor-deeld zou worden als een schoolonderzoek. “Mag ik op zangles”, vroeg ik mijn moeder. Weer keek ze bedenkelijk. “Ja maar daar moet je toch talent voor hebben?”, zei ze hoofdschuddend. Gelukkig bleek mijn talent voor drammen wel toereikend want na een paar weken zeuren werd ik toch bij een zangjuf afgeleverd.
De docente heeft ongetwijfeld haar best gedaan maar met de kennis van nu vond ik de lessen niet geweldig. Het ging eindeloos over adem die ik diep uit mijn centrum vandaan moest toveren. Een ingewikkeld verhaal. Die adem-onzin zou me tot ver in mijn conservatorium tijd plagen waar het ook een averechts effect had maar als 17 jarige kon ik er weinig mee al deed ik erg mijn best.
Toen we ons na weken kruistocht dan eindelijk aan een liedje waagden kostte het me dan ook 10 minuten voor ik überhaupt de eerste toon had gevonden. “Nou ja, dan weten we waar we aan toe zijn”, concludeerde de mevrouw.

Toch heeft een terloopse opmerking van die docent me wel volledig op de rit gekregen. “Hoor je dat, als je je mond zo doet klinkt het mooi?”, zei ze op een dag. Ik hoorde het niet maar ben vanaf dat moment wel anders gaan luisteren naar mezelf en heb zelfstandig mijn resonans ontwikkeld. Dat werkte, al merkte mijn moeder dat nog niet tijdens mijn eerste optreden op school. Overigens had dat nauwelijks met zangtechniek te maken maar meer met mijn leraar Frans bij wie ik al maanden niet in de les was geweest. Net voor aanvang liep hij naar mijn moeder en zei: “Goed om te zien dat Iris weer beter is en wat een pech om zo lang ziek te zijn!”. Dat kon ik niet horen maar de ontploffing die er vervolgens bij mijn moeder plaatsvond was vanaf het podium prima te zien en van de stress schoot mijn stem alle kanten op.
De tweede keer, toen ik zong op het trouwfeest van mijn oom en tante, hoorde ze het wel. “Ik zag je staan, ik zag je mond bewegen maar ik dacht: “Bij de buren staat iemand heel mooi te zingen”, zei ze. “Tot ik me realiseerde: “Maar dat is Iris!”.” Vanaf dat moment was mijn moeder mijn grootste fan.

Het zou nog een aantal omzwervingen duren voor ik uiteindelijk naar het conservatorium ging maar veel langer heeft het geduurd voor ik mezelf kon zien als zangeres. En nog altijd vind ik ‘kunnen zingen’ een wonder en een geschenk waar ik bijzonder dankbaar voor ben. Dat is het grote voor-deel van niet ‘zingend geboren’ worden.

Similar Articles

Top
X
- Enter Your Location -
- or -